Visie

Onze visie over het trainen en opleiden van paarden.

Wij proberen onze paarden op te leiden volgens de klassieke leer waarbij we zeker kijken en luisteren naar andere bekende grootheden uit de paardensport. Elke sport ontwikkelt zich verder. Bijv. de klapschaats bij het schaatsen, de zwemkleding bij het zwemmen en aparte helmen bij het fietsen, alles in het teken om snellere tijden te halen. In de paardensport heb je te maken met ruiters en paarden. Ook daar valt meer te behalen dan wat vroeger werd gedacht. Denk daarbij aan de fysieke en de mentale trainingen voor ruiters. Het dressuur of spring gericht fokken van sportpaarden. Ook wordt er nu meer als ooit tevoren nagedacht over hoe een paard lichamelijk en geestelijk functioneert. Welke bewegingsmechanismen en houdingen zijn zinvol om de training toe te passen en welke zijn als niet bevorderlijk, of erger nog, schadelijk te beschouwen. Hierover worden scherpe discussies gevoerd waarin ik mij niet wil mengen. Wij proberen op een logische manier onze paarden te trainen en op te leiden.

1. Het begin van de opleiding van het jonge paard
Het paard moet gehoorzaam en betrouwbaar in de omgang worden. Het vertrouwen wordt opgebouwd door het paard eerst goed te leren leiden aan de hand en te laten reageren op de stemhulpen. Daarna starten we met longeren om hem te helpen zijn evenwicht te vinden, zijn rug te leren gebruiken en sterker te maken. Vervolgens kan het aan de longe wennen aan het bit, het zadel en de ruiter. We werken daarbij in een rustig tempo. In het begin mag het paard het hoofd daar houden waar hij het zelf wilt om zichzelf in balans te kunnen houden.

2. Training
We proberen langzaam maar zeker op twee teugels aanleuning te krijgen om vandaar uit het paard de weg in de diepte te leren nemen en om zo gaandeweg gemakkelijker met het ruitergewicht overweg te kunnen. De houding moet in eerste instantie voortvloeien vanuit de actieve achterhand, wat niet verward mag worden met hard lopen. Op deze manier worden de spieren aan de kroep van het paard naar het spronggewricht toe ontwikkelt, welke later de kracht voor het dragende werk moeten kunnen overnemen. Door de passieve rek van de nekband wordt de schoft omhoog gehaald en kan de rug opbollen. Zo heeft het jonge paard geen pijn in de rug door het ruitergewicht ondanks het feit dat zijn halsspieren op dat moment nog niet voldoende ontwikkelt zijn om zelf deze taak te kunnen overnemen.

We leren het paard zich in een rustig tempo, vanuit de ontspanning, met de ruiter op zijn rug te bewegen. Door de klassieke hulpen leert het paard om te reageren op de vraag die komt en kan het zijn zenuwstelsel daarop instellen. Een paard is een dier wat leert door herhalen van het gevraagde en belonen wat goed is. Heel belangrijk is de ontwikkeling van coördinatie tussen de hersenen, zenuwen en spieren. Door het paard te helpen dit in balans en harmonie te doen, creëren wij een band met het paard. Om de gebruikte spieren de kans op herstel te geven is het belangrijk steeds weer rustmomenten in de training in te bouwen. Dit door middel van stappen met vrije teugel. Een paard dat geleerd heeft zich vanuit zijn achterbeen over de gewelfde rug te bewegen, hoeft niet extra ‘’nageeflijk’’ gemaakt te worden met de hand. Het reageert in eerste instantie op de zit van de ruiter en bolt zich naar de meeverende hand.

3. Tempocontrole
De nadruk ligt niet op de tempocontrole maar op de tempowisseling. Daarbij wordt de houding bij het paard niet afgedwongen maar krijgt hij de kans zijn halshouding, aangepast aan de beweging, te kiezen om zich optimaal uit te balanceren. deze halshouding past dan bij de achterhand die in meer om mindere mate is ondergebracht. We rijden het paard in een niet te hoog tempo vanuit de ontspanning voorwaarts- neerwaarts. Met duidelijk voorwaartse tendens van de neus, zodat het paard zijn gehele rug en hals op kan bollen en zich naar het bit kan rekken zonder zich vast te zetten of te verkrampen.

4. Oprichting
Deze ontstaat door het trainen van het achterbeen door bij overgangen met zit en lichte kuithulp het paard van achteren erbij te halen en hem in zijn bekken te laten kantelen.om biomechanische redenen moet het paard vooraan (in de halslengte) wel voldoende ruimte krijgen om de achterhand überhaupt onder het zwaartepunt te kunnen brengen. Dit lukt alleen als het paard in alle gewrichten van de achterhand buigt. Pas dan kan, als al deze gewrichten samenwerken, het achterbeen van ‘’stuwen’’ tot ‘’dragen’’ komen.

5. Resumé
We proberen het paard met respect te behandelen en dat daarom bereidt is zich voor ons in te zetten. We dwingen geen houdingen af die het paard uit balans brengt of onnatuurlijk is voor zijn beweging maar we zijn wel consequent in de omgang met de paarden.